Lucebert is gekend en geliefd om zijn poëzie en om zijn beeldende
kunst. Steevast worden deze beide kunstvormen afzonderlijk, en los van
elkaar beschouwd. Hans Groenewegen laat in Het handschrift van Lucebert
voor het eerst zien hoe Luceberts overweldigende stroom tekeningen
dezelfde bron heeft als de stroom van zijn gedichten. Groenewegen richt
zich als eerste beschouwer op deze tweevoudige bron. Hij beschrijft
waar beide kunstvormen samenkomen en uiteengaan, hoe ze elkaar
verhelderen of verduisteren, verklaren en betekenis geven.
In Het handschrift van Lucebert schetst Groenewegen een nieuw en
overtuigend beeld van de dubbelkunstenaar Lucebert. Niet eerder kon
iemand zo zorgvuldig en verhelderend de poëzie bespreken die
ontstond na het dichterlijk zwijgen dat meer dan twintig jaar duurde.
Onvoorzien blijkt de sleutel tot dit zwijgen in de tekeningen van
Lucebert verborgen te liggen. Wanneer het schrijven van de dichter tot
stilstand komt, schrijft de tekenaar verder in een intrigerend
handschrift.
Uit duizenden goeddeels onbekende tekeningen, die hij in het atelier
van de dichter-schilder aantrof, presenteert Hans Groenewegen in Het
handschrift van Lucebert een ruime, niet eerder geziene of
gepubliceerde selectie, die licht werpt op Luceberts schrijfkunst. Hij
ontrafelt de verbindingen tussen schrijven en tekenen, en toont hun
wederzijdse invloed. Groenewegen wisselt besprekingen van belangrijke
gedichten af met precieze beschrijvingen van een aantal van de
tekeningen. Dit stelt hem in staat de verwantschap tussen poëzie
en tekeningen bloot te leggen, en een nieuwe visie te ontwerpen op de
lichamelijke taal van Lucebert.
Tussen de tekeningen ontdekte Groenewegen tenslotte het scenario van
een film. Lucebert schreef dit scenario in 1988. Het biedt de opzet
voor een film waarin hij de kern en de drijfveren van zijn
kunstenaarschap zelf zou verbeelden. In Het handschrift van Lucebert
onthult Groenewegen dit scenario, waarin Lucebert zich vrij en
ondubbelzinnig uitspreekt over de samenhangen in zijn
dubbelkunstenaarschap.
Hans Groenewegen (*1956) is dichter en essayist. Zijn poëzie is
samengebracht in Grondzee (2000), Lichaamswater (2002), en gingen uit
sterven (2005), en zuurstofschuld (2008). Zijn beschouwelijke essays
zijn als kritieken en kronieken gebundeld in Schuimen langs de
vloedlijn (2002), en in Overvloed (2005). Hij is als samensteller en
redacteur verantwoordelijk voor historische publicaties over Hans
Faverey: Die zo rijk zijn aan zichzelf (1997); over Lucebert: Licht is
de wind der duisternis (1999); over Kees Ouwens: En gene schitterde op
de rede (2002); en (met Hans Vandevoorde & Anne Marie Musschoot)
over Karel van de Woestijne: Al ben ik duister, ‘k zet me
glanzend uit (2007).
Groenewegen, H., Het handschrift van Lucebert Prijs Euro 35.00
|
Bij u in huis op: woensdag
|
| Andere titels binnen de rubriek: |
| Monografie(kunst)
|